Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd. Want er is geen woord op mijn tong, of zie Here, Gij kent het volkomen. Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij. Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik kan er niet bij. [Psalm 139:3-6]
Vervolgens gaat de psalmdichter terug naar het begin. “Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven.” [vers 13]. De nieren symboliseren de diepste lagen van je bestaan, je diepste innerlijk. De schoot van de moeder is een plaats van barmhartigheid en van erbarmen. De erbarming is eigenlijk de moederschoot van God, de tederheid van God.
Zie jij God als alziend oog, een dictator, the Big Boss? Of denk je dan aan tederheid? God staat aan je begin. Met Hem is het allemaal begonnen. Er is een God Die meer van jou houdt dan jij van jezelf kunt houden. Je kunt wel eens in de knoop zitten met je eigen hart, je eigen hart kan je veroordelen. Maar God is groter dan je hart, God kent je tot op de bodem. Hij kent je dieper dan jij jezelf kent. Jouw oorsprong is in God en via de Zoon, kom je weer terug bij de Vader. Door de Geest mag jij roepen: ‘Abba’ Vader, het vertrouwde woord van een kind en volwassene als hij tot zijn Vader spreekt. Heel vertrouwd, heel gewoon, heel teder.l





